Sport is niets voor dieren

Door: Janine Janssen
Van alle dieren is de mens de enige soort die sport bedrijft. Middas Dekkers, de leukste biologieleraar van Nederland, verwoordt dat in Lichamelijke oefening (2006) als volgt: ‘…als regel sport een dier niet. Het is wijzer. In medailles is hooguit een ekster geïnteresseerd en eer kun je niet eten. Sport is een dier gewoon te link. Ook als het jong is. Jonge leeuwtjes rennen niet om zich voor later te oefenen, ze rennen en donderjagen om al hun systemen in te regelen. Eenmaal volwassen, verzetten ze geen poot onnodig. Na het eten hangen ze dagenlang over de takken van een acacia als een mat die moet worden uitgeklopt.’ Na nog een aantal van dit soort voorbeelden komt Dekkers dan ook tot de conclusie dat als iemand een hekel aan sport heeft, het de natuur wel is. Als we deze lijn van redeneren consequent doortrekken dan kunnen we zonder veel aarzelen stellen dat in het hele dierenrijk de mens met zijn hang naar sportgedoe afwijkend zo niet deviant gedrag vertoond.

Maar mensen doen nog gekkere dingen dan kijken wie het snelst kan lopen, springen of een bal overspelen. Ze hebben zichzelf namelijk wijs gemaakt dat ze ook met andere soorten sport bedrijven. Sinds enkele decennia publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) schaarse gegevens over sport. In een aardige verhandeling (1999) over wat sport eigenlijk is op de site van het CBS wordt uitgelegd dat in de loop der jaren de verzameling menselijke handelingen die onder de noemer ‘sport’ wordt gebracht, aan variatie onderhevig is. Zo wordt tegenwoordig – weliswaar onder hoongelach – toch ook ballroomdancing en kunstzwemmen als sport gezien.
 
In de 19e eeuw werd jagen en schieten op dieren geacht een sportief evenement te zijn. Hoewel vandaag de dag nog wel de term ‘jachtsport’ wordt gebezigd, is in brede delen van de samenleving toch de vraag gerezen of argeloze konijnen, fazanten en reeën die zich in het veld of bos geconfronteerd zien met een door mensenhanden op hun bast gericht dubbelloops jachtgeweer, dat ook als ‘sport’ ervaren. Vermoedelijk niet. Die vlieger gaat ook niet op voor andere georganiseerde bloedbaden zoals stieren, honden –en hanengevechten. Tuurlijk, er komt vast veel training en fysieke behendigheid bij kijken. Maar hoe valt dit soort dodelijke competitie te rijmen met de breed verbreide gedachte dat sport zou bijdragen aan een gezonde geest in een gezond lichaam? De betrokken dieren kunnen het ‘sportieve treffen ‘ immers vaak niet navertellen en je kan je afvragen in hoeverre bloedoffers een heilzame uitwerking hebben op de mentale staat van menselijke deelnemers.

Nu zijn er uiteraard ook vormen van sport waarbij mensen andere soorten betrekken en het doel niet direct is dat het dier het loodje legt. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de paardensport of het werk van valkeniers of herders. Mens en dieren vormen samen een combinatie en door veel training probeert het multispeciesistische duo zich een bepaalde vaardigheid eigen te maken: hard draven, muizen vangen of schapen bijeendrijven. Dat klinkt prachtig en idyllisch, zo’n intersoortelijke samenwerking, maar hoe weten we nou of de betrokken dieren hier ook echt zin in hebben en niet tegen heug en meug meedoen? En hoe zit het dan met dierenwelzijnsaspecten als het gaat om branches waarin ook nog eens astronomische geldbedragen omgaan, zoals de paardensport? Is het paard dan niet zowel letterlijk als figuurlijk het kind van de rekening? Wat mensen zichzelf aandoen, dat moeten ze zelf weten. Maar waar halen we het recht vandaan om andere soorten ons eigen in het grote dierenrijk toch afwijkende ´sportieve gedrag´ op te dringen?
 


Alle publicaties bekijken...