Partners over hun pedoseksuele man
Door: Anton van Wijk & Ilse van Leiden
Veel onderzoek naar mannen die kinderen seksueel misbruiken, richt zich op informatie van de pleger zelf. Het is bekend dat die niet altijd het achterste van zijn tong laat zien. Dat is de reden geweest voor Roy Hazelwood, voormalig FBI-agent van de Behavioral Science Unit, om een onderzoek te doen naar de partners van pedoseksuelen om zo meer te weten te komen over het (dagelijkse) gedrag en de persoon van de pedoseksueel. Om tot een internationale vergelijking van gegevens te kunnen komen, is onder andere aan Nederland gevraagd eenzelfde onderzoek uit te voeren.
Het Nederlandse onderzoek is in opdracht van Politie & Wetenschap uitgevoerd door Bureau Beke in samenwerking met De Waag en het KLPD. In totaal zijn er twintig (ex-)partners (allemaal vrouwen) van pedoseksuelen geïnterviewd. Dat heeft veel (kwalitatieve) informatie opgeleverd. De meeste vrouwen hebben een relatie van gemiddeld achttien jaar met de man achter de rug voordat het pedoseksuele delict uitkomt.
De delicten zijn zeer gevarieerd. De slachtoffers zijn meestentijds meisjes, in sommige gevallen echter ook jongens. De leeftijden variëren van drie tot zestien jaar. Het betreft soms eigen kinderen, maar stief- en kleinkinderen en kinderen van kennissen zijn eveneens slachtoffer. Het misbruik bestaat uit penetratie en/of betasten en kan beperkt zijn tot een eenmalig contact, maar ook jaren duren.
De vrouwen vertellen over een soms zeer problematische jeugd en gezinsachtergrond van hun man. Het gezin wordt door hen bijna zonder uitzondering als ‘kil’ of ‘onprettig’ getypeerd. In de kindertijd van veel van de pedoseksuele mannen uit het onderzoek was er volgens de vrouwen sprake van een ongezonde, onveilige opvoedingssituatie met emotionele verwaarlozing, agressie, geweld en een verstoorde seksuele opvoeding. Dat laatste houdt in dat sommige mannen zelf seksueel misbruikt zijn in hun jeugd of dat zij op jonge leeftijd op een andere manier geconfronteerd zijn met seksueel grensoverschrijdend gedrag van bijvoorbeeld hun vader jegens anderen. Met name de figuur van de vader komt als een belangrijke, negatieve factor in het leven van de mannen naar voren. Met de moeder heeft een deel van de mannen daarentegen een bijzondere, hechte band en sommige mannen zijn op latere leeftijd nog erg toegewijd en aanhankelijk aan hun moeder.
Het beeld dat oprijst uit de verhalen van de vrouwen is dat de mannen niet hebben geleerd om voor zichzelf op te komen. Het aangeleerde gedragspatroon is het (steeds meer) in zichzelf terugtrekken en vermijdend gedrag vertonen. De meeste mannen verkeren in hun jeugd in een sociaal isolement. Op later leeftijd lijken deze ervaringen uit de kindertijd te resulteren in gevoelens van incompetentie en minderwaardigheid en in tekorten in sociale competenties. Een normale sociale omgang met volwassenen is niet altijd vanzelfsprekend en sociale relaties worden soms vermeden. Tegelijkertijd vertonen veel mannen aangepast, sociaal wenselijk gedrag richting de buitenwereld. Zij worden door hun vrouwen doorgaans omschreven als heel sociale, behulpzame en zorgzame personen.
Op latere leeftijd kampen veel van de mannen volgens hun vrouwen met allerlei gezondheidsklachten, vertonen ze neurotisch, onrustig gedrag en zijn ze gevoelig voor verslaving, met name aan alcohol. De mannen dragen een groot geheim met zich mee, feitelijk leiden zij een dubbelleven. Daarmee gepaard gaat het vaak leugenachtige gedrag van de mannen, zoals door hun vrouwen omschreven. De waarheid wordt verdraaid en de mannen zwijgen over belangrijke zaken of liegen over de kleinste dingen. Terugkijkend op de situatie zien sommige vrouwen tegenstrijdigheden in het gedrag van hun man en beschrijven hem als ‘een man met twee gezichten’.
Seksualiteit is een belangrijk thema geweest in de interviews. Een deel van de mannen (en vrouwen) heeft geen of weinig behoefte aan onderlinge seksuele intimiteiten. Sommige mannen zijn als hyperseksueel te typeren. De stagnerende of ongelijkwaardige seksuele relatie kan ertoe leiden dat de mannen zich richten op kinderen. Alle mannen gaan op een problematische manier om met seksualiteit en/of hebben seksuele problemen.
Ten tijde van het misbruik hebben de vrouwen niets vreemds geconstateerd aan het gedrag van de mannen en eventueel de slachtoffers (indien deze in huis wonen). Dat heeft enerzijds te maken met het calculerende gedrag van de mannen, die het misbruik zo weten te organiseren en de slachtoffers zo weten te manipuleren dat het soms voor lange tijd verborgen kan blijven. Anderzijds hebben de vrouwen signalen van het misbruik niet opgemerkt. In dit verband is in de interviews vaak het woord ‘naïef’ (‘ben ik dan zo naïef geweest?’) gevallen. Pas achteraf, onder andere door de interviews met de onderzoekers, kunnen zij de gehele (voor)geschiedenis reconstrueren en de momenten aanwijzen waarop zij ‘signalen’ hadden kunnen opvangen.
Geen enkele man heeft uit zichzelf over het misbruik verteld. Het komt in de openbaarheid als de slachtoffers erover beginnen of derden de politie inlichten. Dat betekent wellicht dat sommige mannen zouden zijn doorgegaan met het misbruik als anderen het niet verteld zouden hebben. De mannen ontkennen bij de eerste beschuldigingen ten stelligste. Pas na lang aandringen van de vrouwen en/of later de politie vertellen de mannen over het misbruik. Een sterke neiging tot ontkenning en bagatellisering van het delict is typerend voor de pedoseksuelen.
De meeste vrouwen blijven bij hun man als het delict is uitgekomen. De reden die zij daarvoor geven, is dat zij afhankelijk zijn van de mannen, niet alleen financieel maar zeker ook emotioneel. Zij willen de man, met al zijn onvolkomenheden, niet kwijt. Zij zijn bang er dan alleen voor te staan. Bovendien lijkt het erop dat zij door de stigmatiserende houding van hun omgeving min of meer in de armen van hun man gedreven worden. Voor de vrouwen en hun gezin zijn de gevolgen van het uitkomen van het delict namelijk erg groot, zeker als de slachtoffers eigen kinderen zijn. Als het delict in de buurt bekend is, kan de vrouw daarop worden aangekeken. Door de buitenwereld wordt zij niet zelden medeverantwoordelijk gehouden voor wat er is gebeurd. Het stigma van ‘de vrouw van’ betekent voor de vrouwen een grote last. Zij zijn daardoor vrienden kwijtgeraakt en soms zijn families ontwricht.
De vrouwen die bij hun man blijven, geven blijk van een groot wantrouwen jegens hun man ondanks dat zij een behandeling ondergaan. Ze zijn bang dat hun man weer in herhaling zal vallen. Het gevolg is dat de vrouwen zeer alert zijn op allerlei situaties en bijvoorbeeld de mannen niet met de kinderen alleen durven te laten.
Het onderzoek leert dat het gebruikmaken van externe informatiebronnen in de directe omgeving van de dader een genuanceerd en uitgebreid beeld geeft van – in dit geval – mannen die kinderen seksueel misbruiken. Daarmee blijkt het een interessante toepassing in criminologisch onderzoek te zijn. Ook andere vormen van criminaliteit kunnen daardoor mogelijk beter worden ingekleurd. Hier kan ook de politie- en behandelpraktijk bij gebaat zijn. Bij de opstart van een politieonderzoek kan de informatie van personen uit de directe omgeving van de verdachte waardevol zijn. Het succes van een zedenonderzoek staat of valt namelijk vaak met een goed verdachtenverhoor. Informatie over de context waarbinnen het misdrijf heeft plaatsgevonden, (de ontwikkeling van ) het gedrag van de verdachte en de persoonskenmerken van de verdachte kunnen waardevol zijn voor het verdachtenverhoor. Met behulp van een bredere achtergrondinformatie over de dader kan de politie in het verhoor beter de juiste aansluiting vinden bij het niveau van het functioneren en de belevingswereld van de verdachte.
Ook voor de klinische praktijk kan het betrekken van de partner van een pedoseksueel belangrijk zijn. De delicten vinden plaats binnen de context van de (slechter functionerende) relatie. Gezien het gegeven dat veel van de vrouwen bij hun man blijven nadat het delict is uitgekomen, keert de man na het eventueel uitdienen van zijn straf en de behandeling terug in zijn relatie. Om de kans op herhaling te verkleinen, lijkt het van belang de context waarin de man leeft nauw te betrekken in de behandeling. Het werken aan een gezonde relatie tussen de pedoseksueel en zijn partner kan recidive in de toekomst mogelijk verkleinen.
De publicatie is te bestellen via www.boomlemma.nl.
Anton van Wijk & Ilse van Leiden (redactie) (2011). Over pedoseksuelen gesproken. Het leven van pedoseksuelen op basis van verhalen van hun (ex-)partners, justitiële informatie en de klinische praktijk. Boom/Lemma, Den Haag.

