Schuin tegenover mijn huis bevindt zich een plaatselijk café-restaurant, een van de velen in de wijk. Het is de plek waar ik, samen met merendeels al dan niet gepensioneerde fabrieksarbeiders, kantoorklerken, bouwvakkers en banketbakkers – de Catalaanse manifestaties van Henk minus Ingrid – de verrichtingen van “El Club” volg.
Op een zondagochtend fietste ik richting centrum van Barcelona, naar mijn werkplek. Boven de stadskern hing een helikopter in de lucht. Een helikopter boven de stad… als vanzelf klapwiekte mijn Amsterdamse referentiekader me om de oren. Er zal wel iemand overvallen zijn en nu proberen ze de dader te traceren. Een jongen van Noord-Afrikaanse afkomst rende de straat over.
Haar drukbezochte zaak ligt in de Catalaanse volkswijk Poble Nou, een eindje buiten het centrum van Barcelona. Het ruikt er naar verse vis en hier je inkopen doen betekent vooral geen haast hebben. De klanten kennen elkaar bij naam en Marta weet hoe José of Maria de vis het liefst wil hebben en kent de namen van hun kinderen. Het maken van een kletspraatje beantwoordt, net als het doen van de dagelijkse inkopen, aan een eerste levensbehoefte. En zo leerde ik de hartslag van deze buurt kennen. Maar bovenal leerde ik Marta kennen, de vrouw die in haar viswinkel de scepter zwaait.