Voetbal, veiligheid en valse schijn

Door: Hans Schnitzler


Het voetbalveld moet wel de meest sublieme microkosmos van onze menselijke, al te menselijke wereld zijn. In veel opzichten biedt deze arena een venster op al die eigenschappen die de mens tot mens maakt. Van altruïsme tot egoïsme, van mededogen tot meedogenloosheid, van strijd tot verzoening; het is er allemaal in gecomprimeerde vorm terug te zien. Maar ook in een ander opzicht is het meer dan een interessante proeftuin. Vooral in de relatie tussen geweld, cameratoezicht en veiligheid zijn er lessen te trekken die tot ver buiten het voetbalterritorium reiken.


Recent onderzoek in Groningen wees uit dat sinds de invoering van cameratoezicht in het uitgaanscentrum, het aantal geweldsdelicten toegenomen is. Ook buiten onze landsgrenzen heeft men de relatie tussen camera’s in de publieke ruimte en openlijke geweldplegingen onderzocht. En ook daar blijkt: de onveiligheid neemt niet af wanneer het cameratoezicht toeneemt. Voor wie de blik zo nu en dan op de voetbalarena richt, kunnen deze uitkomsten geen verrassing heten. Er is nauwelijks een omgeving denkbaar waar beeldregistratie zo haarscherp elke (mis)handeling vastlegt. Maar dat weerhoudt geen van de deelnemers aan het spel om voor het oog van de wereld geweldsdelicten te begaan die in een meer civielrechtelijke omgeving zwaar bestraft zouden worden. Het voorval met Ajacied Suarez, die zijn opponent in de nekstreek beet, spreekt wellicht het meest tot de actuele verbeelding.


Toch menen lokale overheden nog steeds dat cameratoezicht een geëigend middel is om de veiligheid te vergroten. In sommige gevallen zal dat ook best werken, maar niet in die openbare ruimtes waar deelnemers stijf van de adrenaline, dan wel geestverruimende middelen staan en zich bovendien door de roes van het moment laten meeslepen. Daar laat men zich niets aan het spiedende oog van de camera gelegen liggen. Sterker nog, de suggestie dat men dat wel zou doen, is een valse. Het wekt een veiligheidsillusie die misleidend is. Een recente kwestie in de voetbalwereld spreekt, wat dit aangaat, tot de verbeelding en werpt licht op een meer diepgaand inzicht.


 


Zowel in de aanloop naar als tijdens het WK in Zuid-Afrika, veroorzaakten een aantal serieuze scheidsrechterlijke dwalingen de nodige ophef. Vooral de handsbal van Thierry Henry, die het doelpunt inleidde waardoor Frankrijk zich ten koste van Ierland plaatste, ontketende een storm van verontwaardiging; een storm waarvan de uitlopers tot in de politieke arena reikten. En na de niet toegekende goal voor Engeland in de achtste finale tegen Duitsland (de bal belandde met het blote oog waarneembaar achter de doellijn), leek er voor de FIFA geen ontkomen meer aan. Wat men tot dan toe categorisch weigerde, moest nu na zoveel affront en miskleun wel bespreekbaar worden gemaakt: de mogelijke introductie van cameratoezicht - voorlopig beperkt tot doellijnregistratie - tijdens wedstrijden. En zo stond eind oktober de vraag naar techniek centraal op de bijeenkomst van de IFAB, de spelregelcommissie van de wereldvoetbalbond. Uitkomst: men besloot de menselijke maat te handhaven en extra lijnrechters aan het spel toe te voegen. Eventuele doellijnregistratie zou verder onderzocht worden.


Met uitzondering van de voetbalbestuurders in Zwitserland, heerst er onder alle betrokkenen die iets over dit onderwerp te zeggen hebben een opmerkelijke eensgezindheid. Bijna unaniem meent men dat het in een tijd van geavanceerde computer- en videotechniek geen maat houdt om arbitrale beslissingen toe te vertrouwen aan de beperkingen van het menselijke waarnemingsvermogen. Menselijke feilbaarheid, vooral die van scheids- en grensrechters, moet gezien de enorme commerciële belangen die op het spel staan tot een minimum beperkt worden. Feitelijk zegt men: daar waar geld en commercie maatgevend zijn, moet de technologie het laatste woord krijgen.

Analoog hieraan kan men stellen: in een wereld waar veiligheid en welzijn de voornaamste preoccupatie van politieke besluitvorming is, moet cameratoezicht het laatste woord krijgen. Dit alles om de onvoorspelbaarheid en het toeval uit de publieke sfeer, dan wel de voetbalarena te verbannen. Maar daarmee gaat men volledig voorbij aan een cruciaal aspect van de menselijke conditie: de onomkeerbaarheid en onvoorspelbaarheid van het menselijke handelen.


Dat miljarden op de wereld zich volledig in de spanning en dramatiek van een wedstrijd verliezen, dat individuen zich vergaand met de glorie en teloorgang van een voetbalheld of club vereenzelvigen, dat winst of verlies zulke intense emoties oproept, dat bepaalde wedstrijden als legendes voortleven; dat hangt allemaal samen met het feit dat voetbal, meer dan welke sport dan ook, een spiegel van het alledaagse bestaan is. Een bestaan waar willekeur, onrechtvaardigheid en menselijk falen dagelijkse werkelijkheden zijn, waar het goede niet altijd over het kwade zegeviert en waar gelijk hebben iets anders is dan gelijk krijgen. Al dergelijke gewaarwordingen zijn in het voetbalspel volop aanwezig en precies daarin ligt de onweerstaanbare aantrekkingskracht ervan. Het is als het leven zelf.


Maar er is meer. Het besef dat een handeling onomkeerbaar is, is misschien wel een van de meest fundamentele menselijke ervaringen. Het is zowel tragiek als zegen. Een daad kan verstrekkende gevolgen hebben, ten goede en ten kwade, men kan vergiffenis vragen of geven, maar het is onmogelijk de daad zelf terug te draaien. En dat is precies wat het tragikomische theater dat voetbal heet, ons te bieden heeft. Daarin ligt de louterende kracht van het spel. Men moet uiteindelijk leren leven met het ten onrechte goed- of afgekeurde doelpunt, accepteren dat de mens feilbaar is en dat we ons lot niet altijd in eigen hand hebben.


Dit inzicht is belangrijk. In de woorden van FIFA-voorzitter Blatter dat hij het voetbal 'menselijk' wil houden, desemt deze gedachte door. De grilligheid en onrechtvaardigheid beantwoorden aan de alledaagse leefervaring. Dat maakt het spel voor velen zo herkenbaar en onweerstaanbaar. Hoewel de werkelijkheidszin van voetbalbestuurders niet van (commercieel) opportunisme gespeend is, zouden politici er toch hun voordeel mee kunnen doen.


 


Laat men ophouden te beweren dat cameratoezicht menselijk gedrag voorspelbaar en de publieke ruimte veiliger maakt. Dat is eenvoudigweg misleidend en vergroot het onbehagen onder burgers. De grilligheid van de mens is niet door camera’s te beteugelen. En zelfs wanneer het de pakkans van geweldsplegers zou vergroten (wat overigens zeer de vraag is), dan nog is de geweldsdaad zelf, met alle gevolgen van dien, onomkeerbaar.
Dat de FIFA-heren de dramatiek van het ondermaanse tot (winst)nut aanwenden, mag menigeen tegen de borst stuiten, toch getuigt het van een realiteitszin waar de heren politici een voorbeeld aan kunnen nemen.