Amsterdamse zedenzaak: Montesquieu slaapt er slecht van
Geplaatst op 15-04-2012
Door: Marion Brepoels
Ik volgde de afgelopen weken het strafproces in de Amsterdamse Zedenzaak. En ik val van de ene complexe gewaarwording in de andere. Ik lees de publicaties van de verslaggevers in de media, volg de social media berichten van verslaggevers én van de verdediging op de voet, kijk en luister naar televisie- en radio uitzendingen. Verder luister en praat ik met verslaggevers tijdens de zittingen en achteraf met anderen die vanuit hun beroep/deskundigheid of belangstelling iets over deze zaak willen delen. Kortom, ik observeer de wijze waarop in deze zaak aan waarheidsvinding wordt gedaan.
Het valt me op hoeveel er gespeculeerd en geconcludeerd wordt in deze zaak. De druk vanuit de media is groot en ik vraag me af hoe dit zich verhoudt met de ethische en professionele normen. Dit alles vanuit mijn onderzoek naar de rol van de media in dit strafproces.
‘Rechtbank weigert stukken te verstrekken’
Dat burgers uiten dat Robert M. beter de doodstraf zou kunnen krijgen, komt mij niet vreemd voor én burgers mogen dat vinden. Dat een advocaat dit publiekelijk namens zijn cliënten uit en media zich hierover uitlaten vind ik ongepast. In hoeverre dient een advocaat het belang van zijn cliënt als hij actief contact zoekt en onderhoudt met media? Volgens de Gedragsregels 1992 en Het statuut voor de raadsman in strafzaken (dit zijn de ethische normen die advocaten in acht moeten nemen) dient een advocaat zich in woord en geschrift niet onnodig grievend uit te laten. Hoever ga je als advocaat om in een proces te krijgen wat je graag wilt?
Stel je wilt als advocaat van de slachtoffers een stuk tot je beschikking krijgen dat de verdachte heeft geschreven en voorgelezen ter zitting. Je verzoekt dit aan de rechtbank en de rechtbank besluit na beraad dat de verklaringen van de verdachten (concreet in deze zaak zijn dit Richard van O. en Robert M.) niet worden toegevoegd aan het dossier. De verdachten maken bezwaar tegen het verstrekken van hun verklaringen en de rechtbank wijst het verzoek van de advocaat af. Overtreed je als advocaat in die situatie de regels en breng je niet je onafhankelijkheid in de uitoefening van het beroep in gevaar als je een oproep doen aan de aanwezige pers/anderen ter verkrijging van de verslagen van de verklaringen van verdachten die ‘stenografen’ hebben gemaakt? Is het professioneel en ethisch als je als advocaat in een tweet de rechtbank ‘schoffeert’ door te stellen dat deze 'weigert' deze stukken te verstrekken? Het was juridisch gezien geen weigering, de stukken maken geen onderdeel uit van het dossier en de verdachten willen niet dat de advocaten van de slachtoffers een afschrift van hun stuk krijgen. Het was een afwijzing van een verzoek.
In de gedragscode voor Europese advocaten las ik onder punt 4.3 Eerbied voor de rechterlijke macht: ‘zonder afbreuk te doen aan de eerbied en de loyaliteit, die hij aan de rechter verschuldigd is, zal de advocaat de belangen van de cliënt naar eer en geweten en zonder vrees verdedigen, ongeacht zijn eigen belangen en ongeacht eventuele gevolgen voor zichzelf of voor welke andere persoon dan ook.’ Op dit punt botst het gedrag van de advocaat in kwestie. In hoeverre is er sprake van eigenbelang: in hoeverre is zelf om media aandacht vragen in het belang van je cliënt? In hoeverre respecteerde de advocaat het oordeel van de rechtbank door te stellen dat de rechtbank weigert om stukken af te geven? Hij was zelf bij de zitting en het staat hem vrij zijn eigen aantekeningen aan zijn cliënten te verstrekken. Desnoods had hij een stagiair de verslaglegging laten doen. Een beroep doen op de aanwezige pers betekent afbreuk doen aan de eerbied en de loyaliteit voor de rechter.
In het proefschrift Macht, Media en Montesquieu van dr. E. van Baren las ik de volgende passage: ‘Rechters ervaren de media ook als belangrijke speler. Vooral strafzaken kunnen op aandacht van de pers rekenen. Rechters beklagen zich erover dat journalisten niet altijd een juiste uitleg van het proces en de uitspraak geven, journalisten beklagen zich over de moeilijk te interpreteren rechterlijke uitspraken. Een maatschappelijke discussie over taakstraffen gaf de Raad voor de rechtspraak in oktober 2007 aanleiding voor pers en publiek op de website uiteen te zetten hoe de rechter tot een strafoplegging komt.
Om kritiek in de pers te weerleggen geeft de Raad de volgende toelichting: ‘Met het opleggen van een straf beoogt een rechter verschillende dingen: vergelding voor het leed dat is berokkend (genoegdoening voor het slachtoffer of nabestaanden), afschrikking (om anderen ervan te weerhouden strafbare feiten te plegen), bescherming van de samenleving (tegen gevaarlijke criminelen), maar ook ‘resocialisatie’. Een dader moet niet alleen gestraft worden, ook willen justitie en de rechterlijke macht voorkomen dat daders opnieuw een strafbaar feit plegen. Uit ervaring weten rechters dat een (lange) gevangenisstraf een normale terugkeer in de samenleving na afloop van de straf bemoeilijkt. Een rechter vraagt zich dus ook af of de samenleving uiteindelijk beter af is als iemand een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet ondergaan’
(http://www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Bepalen+strafmaat+door+rechter+i...)
(bron: https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/13474/Proefschrif...)
Dit proefschrift is interessant voor iedereen die meer wil lezen over macht en media.
Objectiviteit en persoonlijke betrokkenheid
Ik vroeg me de afgelopen weken regelmatig af of het in dit strafproces zo is dat de dader niet alleen gestraft moet worden. En of justitie en de rechterlijke macht willen voorkomen dat daders opnieuw een strafbaar feit plegen. Bij het openbaar ministerie zag ik tot nu weinig terug van deze uitspraak. In hoeverre doet de aanwezige media moeite om op een deskundige en neutrale manier weer te geven wat er gebeurt tijdens de zittingen? Ik zie, hoor en lees de berichtgevingen van de diverse verslaggevers, lees daarnaast ook een blogs van verslaggevers en vraag me af of je professioneel bent als je de inhoud van deze zaak gaat betrekken op je privé-situatie en je bevindingen gaat vermengen met de persoonlijke bevindingen en omstandigheden.
Kun je neutraal en objectief weergeven wat er gebeurt tijdens de zitting als je zo betrokken bent? Als je teruggrijpt op je eigen gezin, vrienden en die situatie zich zo in de directe omgeving van deze zaak afspeelt en zelfs raakvlakken heeft, kun je dan nog objectief en professioneel blijven in je verslaggeving? Leest een hoofdredacteur überhaupt het blog van zijn redacteuren?
In elke andere situatie zou een werkgever dat doen, betrokkenheid/eigenbelang is funest voor noodzakelijke objectiviteit en neutraliteit tijdens je werk. Zelfs met persoonlijke afstand is het moeilijk zat om objectief te blijven als rechtbankverslaggever in deze zaak!
Tunnelvisie?
Vervolgens kwam vorige week vrijdag de eis van het openbaar ministerie. Voor mij is waarheidsvinding van bovenaf naar een zaak kijken. Tunnelvisie ligt op de loer en daar ben je als wetenschapper en jurist en dus ook officier van justitie op bedacht:
‘In de context van een zoektocht naar de juiste interpretatie van een verzameling waarnemingen, is het bezien van alle aanwijzingen vanuit één als juist aangenomen hypothese, waardoor andere verklaringen over het hoofd worden gezien, bijvoorbeeld bij het oplossen van misdrijven. Tunnelvisie is de onkunde, onwil of onmogelijkheid om bepaalde dingen waar te nemen die binnen iemands directe belevingswereld liggen.’
In dit strafproces hoor en lees ik één hypothese en alle mogelijke informatie die deze hypothese kunnen onderbouwen zijn uit de kast getrokken. Is het niet zo dat je ook en misschien juist bij een bekennende verdachte moet waken voor tunnelvisie? Zelfs als feiten kloppen en je het verhaal rond lijkt te hebben? Ik kijk reikhalzend uit naar het pleidooi van Robert M. en zijn verdediging, in de hoop dat hier mogelijke andere hypothesen naar voren worden gebracht. Ga ik op 16 april zien en horen wat ik tot nu toe leerde tijdens mijn opleiding tot jurist en wordt dit juridisch gezien de meest interessante dag in dit strafproces?
Toerekeningsvatbaarheid
Heeft het openbaar ministerie zich, bij de afweging van haar eis, afgevraagd wat ze zou eisen als de tweede hypothese bv zou zijn geweest: de dader is verminderd toerekeningsvatbaar/volledig ontoerekeningsvatbaar? Was er sprake van een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van het geestvermogen bij de verdachte op het moment dat hij de misdrijven pleegde? Stel Robert M. was gediagnosticeerd met een lichte verstandelijke beperking en laten we aannemen een iq. van 55? Zou het OM dan ook 20 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging hebben geëist?
Zou het OM in haar requisitoir tevens hebben gezegd dat Robert M. een gewetenloze man is die elk uur, elke dag, elke maand en jarenlang de beslissing nam om de kinderen die aan zijn zorg waren toevertrouwd, met vol verstand heeft misbruikt? Ik kon geen vergelijkbare zaken vinden met een of meerdere verdachten die (verminderd) ontoerekeningsvatbaar waren vanwege een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogen. Zelfs geen vergelijkbare zaak met een verdachte die volledig toerekeningsvatbaar was. Wel weet ik dat de wetgever de splitsing niet voor niets heeft gemaakt daar waar het toerekeningsvatbaarheid aangaat.
Ik vermoed dat de kans groot was dat er zou worden gerefereerd aan wetenschappelijke literatuur over misdrijven gepleegd door een dader met een licht verstandelijke handicap. Ik denk ook dat weinig mensen zouden hebben getwijfeld aan de stelling dat iemand met een dergelijke handicap niet volledig toerekeningsvatbaar kon worden gehouden voor de misdrijven die hij had gepleegd.
Niemand weet of Robert M. wel of niet lijdt aan een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogen op de momenten dat hij de misdrijven pleegde. Het grote probleem is dat je dit niet kunt afleiden aan uiterlijkheden en er gesuggereerd wordt dat Robert M. bovengemiddeld intelligent is. Zelfs iemand met een bovengemiddelde intelligentie hoeft niet volledig toerekeningsvatbaar te zijn en kan een ernstige psychische of psychiatrische stoornis hebben.
Bovendien weten we niet met zekerheid of Robert M. bovengemiddeld intelligent is, hij is immers nooit getest hierop. Het blijven daarom speculaties. En het recht is gebaseerd op feiten en bewijs. Deskundigen kunnen wel op basis van hun waarnemingen vermoeden dat iemand lijdt aan een stoornis en dat uitspreken en rapporteren. Gezien de ernst van het misdrijf zijn we geneigd om te denken dat enkel een krankzinnige persoon handelingen zoals gepleegd zou verrichten. Toch verlangt de maatschappij, als ik de speculaties die in de media worden gedaan moet geloven, dat diezelfde ‘krankzinnige’ wordt berecht als ware hij bij zijn volle verstand en vindt die maatschappij de maximaal mogelijke strafeis van het openbaar ministerie te laag.
Wat ik uit eigen waarneming kan zeggen is dat Robert M. een man lijkt met meerdere gezichten. Tijdens de getoonde compilatiebeelden zag ik de man die emotioneel reageerde en soms leek hij opgewonden, af en toe op het kinderlijke af. In negatieve en positieve zin (uitgelaten en boos). Op andere momenten en beelden zag ik hem onverstoord en met een harde blik en houding. Deze beelden waren slechts een fractie van het totaal van de politieverhoren. Tijdens de zitting zag ik vrijwel constant een bijna mechanische mens die, daar waar vrijwel alle aanwezigen volschoten met emoties, op een emotieloze en harde manier zijn zegje deed over zichzelf en vragen beantwoordde en stelde.
Vanuit het blok forensische psychopathologie heb ik enig inzicht gekregen in de diverse geestelijke stoornissen bij daders van (ernstige) misdrijven. De opgeroepen getuigen-deskundigen werden tijdens de zitting ondervraagd over hun rapporten. De rechtbank refereerde tijdens dit verhoor aan het feit dat Robert M. tijdens zijn jeugd in Letland is gediagnosticeerd met paranoïde schizofrenie, welke ziekte zo werd geschreven, later in remissie zou zijn geraakt. De rechter vroeg nadrukkelijk aan een getuige-deskundige of dit betekent dat de ziekte was verdwenen/overgegaan. Dit werd door de deskundige bevestigd. Aan de juistheid van deze diagnose werd geen moment getwijfeld, sterker er werd niet naar gevraagd of over gesproken, het werd als waarheid aangenomen en benoemd als feit.
Op dit cruciale moment had een tweede hypothese een rol kunnen gaan spelen. Wat als deze diagnose niet juist was en Robert M. niet leed aan paranoïde schizofrenie en er een foute diagnose is gesteld? Wat als Robert M. lijdt aan een andere stoornis, bv. dissociatieve stoornis niet anders omschreven (DIS NAO, vroeger heette dit een meervoudige persoonlijkheidsstoornis)? En er bijvoorbeeld co-morbiditeit is met andere stoornissen zoals dit beschreven wordt in de wetenschappelijke literatuur? Ik ben geen psychiater of psycholoog, maar lees wel wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp en moet in mijn studie reflecteren op gestelde diagnoses en de manier waarop een dossier is samengesteld en aan waarheidsvinding is gedaan. En ik zie overeenkomsten van stoornissen met het gedrag en de eigenschappen van Robert M.. Zijn de professionals in deze strafzaak neutraal en waken ze voor tunnelvisie? Hoe zit het met andere opties zoeken en hypothesen toetsen?
Wat als Robert M. lijdt aan een zeldzame stoornis die invloed heeft op zijn gedrag en handelen ten tijde van de misdrijven waarvan hij verdacht wordt? Zou dit dan kunnen betekenen dat de ziekte nooit is verdwenen en misschien jarenlang heeft gesluimerd? Of kan het zo zijn dat hij door geraffineerdheid en mogelijk hoge intelligentie een ziekte kan verdoezelen? Allemaal vragen die niet werden gesteld. Want wat weten we eigenlijk van Robert M.? Er zijn in deze zaak geen getuigen gehoord die informatie over de man hebben gegeven: geen vrienden, bekenden of familie. De enige man die dit kan was zijn eigen man en die beriep zich op zijn zwijgrecht. Robert M. weigerde mee te werken aan onderzoeken. Maar wat als de weigerachtige houding een gevolg is van een psychische stoornis/ziekte?
In de literatuur las ik dat het voorkomt dat dissociatieve stoornissen worden verward met schizofrenie. Hoewel er voldoende goede diagnostische onderscheidende criteria zijn en dat er nog steeds behandelaars die het bestaan van dissociatieve stoornissen, ondanks goede diagnostische criteria en wetenschappelijk onderzoek, ontkennen.’ (bron: http://www.caleidoscoop.nl/pdfs/DIS_folder_031022.pdf). Wat wist men 15 jaar geleden over dit soort stoornissen?
Het is dus niet uit te sluiten dat paranoïde schizofrenie soms verward worden met andere complexe stoornissen. Mogelijk zou dat een verklaring kunnen zijn voor het in remissie zijn van de ziekte. Dit zou voorts kunnen betekenen dat de ziekte niet is verdwenen maar sluimerde of misschien wel niet herkend wordt. Het feit dat Robert M. niet meewerkte aan onderzoeken om hier zicht op te krijgen maakt het des te ingewikkelder.
Zou het ook daarom kunnen zijn dat je als verdachte bijvoorbeeld heel makkelijk kunt vertellen over wat je is overkomen en zal de omgeving zich verbazen en je zelfs 'flink' vinden over de afstandelijke manier waarmee je over de gebeurtenis kunt praten? Alsof het over 'iemand anders' gaat die het heeft meegemaakt. Dit laatste herken ik in de berichtgevingen in de media, zij het dat er niet wordt geschreven ‘flink’ maar als walgelijk, emotieloos, hard en gewetenloos. Dit zou men echter kunnen lezen als synoniemen. In dat opzicht komt dit beeld wel erg dichtbij.
Opmerkelijk vond ik bijvoorbeeld dat Robert M. erg stellig is over zaken, tot op het heel gedetailleerde af maar hij op de vraag van de rechtbank of hij seksueel is misbruikt in zijn jeugd zegt ‘niet dat ik me kan herinneren’. Als dit niet zo zou is zou hij dan niet gesteld hebben ‘nee’? Hij was over andere zaken die zich afspeelde in zijn jeugd heel concreet en expliciet. Het verdringen van een traumatische gebeurtenis komt voor bij de beschrijvingen van een dissociatieve stoornis. Of misschien wil de man de traumatische ervaringen niet benoemen en omzeilt hij de waarheid door te stellen ‘niet dat ik me kan herinneren’? Is het niet aan de rechtbank om de waarheid boven tafel te krijgen en erop toe te zien dat al het mogelijke is gedaan om dit te bewerkstelligen? Ik ben benieuwd naar de verdere ontwikkelingen in deze opmerkelijke zaak.
Ik las vorige week het blog van rechtsfilosoof dr. Hendrik Kaptein op de site van Mr. Online. De titel luidt ‘spijt’. Zijn conclusie luidde: ‘Spijtig dus dat spijt in het strafproces zo’n aandacht krijgt, dat het strafproces zo’n aandacht krijgt. Wat een vertoning, niet alleen voor de slachtoffers van Robert M.’
Beter had ik het niet kunnen verwoorden, ik vond het zeer treffend.
http://www.mr-online.nl/weblogs/dr-hendrik-kaptein/spijt.html
Tevens las ik een publicatie van strafrechtanalist Wicher Wedzinga over complicaties bij schadevergoeding. Hij ging daarbij uitvoerig in op de Amsterdamse Zedenzaak.
Hierbij viel me vooral de volgende uitspraak op: ‘De publieke opinie die sterk wordt gevoed door de media drukt naar mijn overtuiging een stempel op deze zaak en daardoor worden, net zoals in de zaak Wilders het geval is geweest, de wettelijke spelregels niet zo nauw genomen. Ik heb de indruk dat de rechter zich te zeer laat beïnvloeden door de media. De schadevergoeding zal dan ook wel worden toegewezen.’
(bron: http://www.crimesite.nl/nieuws/rechtszaak/23150-complicaties-bij-schadev....)
Kan het zo zijn dat in Nederland waar burgers pleiten voor gerechtigheid, daders worden veroordeeld door rechters die zich te zeer laten beïnvloeden door de media?
Ik hoop van niet, ik denk dat we ervan moeten uitgaan dat onze rechters zeer zorgvuldig recht spreken. Ik dacht terwijl ik dit schreef aan de woorden die een strafrechtadvocaat ooit tegen me zei: ‘Montesquieu zou zich omdraaien in zijn graf’.
Wordt vervolgd…

